Het artikel in het AD over een meisje van vijftien dat huilend naar huis ging nadat zij bij een supermarkt niet zou zijn aangenomen vanwege haar hoofddoek, bleef bij mij hangen. Je kunt het artikel hier lezen:
https://www.ad.nl/economie/15-jarig-meisje-in-tranen-na-afwijzing-bij-jumbo-vanwege-haar-hoofddoek-dat-mag-toch-niet~a543c391/
Niet alleen omdat het verdrietig is dat een jong meisje zo’n ervaring opdoet, maar vooral omdat het laat zien hoe snel een zichtbaar onderdeel van iemands identiteit belangrijker kan worden dan de persoon zelf.
Eigenlijk had het een heel gewoon verhaal moeten zijn. Een meisje van vijftien zoekt een bijbaan. Ze wil werken, haar eigen geld verdienen, ervaring opdoen en leren wat verantwoordelijkheid betekent. Precies datgene wat we jongeren voortdurend meegeven: doe mee, pak je kansen en werk aan je toekomst.
En toch werd in dit verhaal niet haar motivatie, haar inzet of haar talent het gesprek, maar haar hoofddoek.
Dat vind ik pijnlijk. Niet alleen vanwege haar, maar ook omdat dit soort ervaringen voor veel jongeren herkenbaar zijn. Soms gebeurt het heel openlijk en soms veel subtieler. Een achternaam die vragen oproept, een stageplek die ineens niet meer beschikbaar blijkt te zijn, een opmerking over geloof of afkomst, of eenvoudigweg het gevoel dat je jezelf eerst moet aanpassen voordat je werkelijk welkom bent.
Juist bij jongeren kan zo’n ervaring diep binnenkomen. Zij staan nog aan het begin van hun weg in de samenleving. Ze zoeken hun plek, bouwen zelfvertrouwen op en ontdekken wie ze willen zijn. Als je dan bij een eerste sollicitatie al het gevoel krijgt dat een deel van jouw identiteit een belemmering vormt, doet dat meer dan alleen de teleurstelling van een gemiste bijbaan.
Het roept een veel grotere vraag op: mag je in onze samenleving werkelijk meedoen zoals je bent?
We spreken tegenwoordig veel over inclusie, diversiteit en gelijke kansen. Die woorden komen terug in beleidsplannen, jaarverslagen en campagnes van organisaties. Maar echte inclusie wordt niet zichtbaar in een mooie tekst op een website. Ze wordt zichtbaar op het moment dat iemand daadwerkelijk voor je staat: tijdens een sollicitatiegesprek, op school, bij een stage of op de werkvloer. Dan blijkt of iemand werkelijk welkom is.
Voor veel moslimvrouwen en meisjes is een hoofddoek meer dan een kledingstuk. Het kan onderdeel zijn van hun geloof, hun identiteit en de manier waarop zij in het leven willen staan. Niet iedereen hoeft daar hetzelfde over te denken. Dat is ook niet nodig in een vrije samenleving. We mogen verschillen van mening over religie en over de manier waarop mensen hun overtuiging zichtbaar maken.
Maar een hoofddoek zegt niets over iemands kwaliteiten. Hij vertelt niet of iemand vriendelijk met klanten omgaat, of iemand betrouwbaar is, hard werkt, verantwoordelijkheid neemt of goed samenwerkt. Hij zegt niets over iemands intelligentie, ambities of toekomst.
Daarom moeten we ervoor waken dat wat we als eerste aan iemand zien, ook meteen bepaalt hoe we die persoon beoordelen.
Vanuit mijn islamitische geloof moet ik bij dit onderwerp denken aan een vers uit de Koran dat voor mij een belangrijke betekenis heeft. In Soera al-Hujurāt wordt gesproken over de verschillen tussen mensen en over de bedoeling dat wij elkaar leren kennen. Het Arabische woord dat daarbij wordt gebruikt, taʿāruf, gaat voor mij over veel meer dan elkaar alleen tolereren. Het vraagt dat we de moeite nemen om voorbij onze eerste indruk te kijken en de mens werkelijk te ontmoeten.
Wie is die ander? Wat brengt iemand mee? Waar droomt iemand van? Welke zorgen en ambities heeft die persoon?
Dat is ook wat ik in mijn interlevensbeschouwelijke werk steeds opnieuw ervaar. Zolang mensen elkaar niet kennen, spreken we gemakkelijk over groepen. Over “de moslims”, “de christenen”, “de ongelovigen”, “de migranten” of welke categorie we ook gebruiken. Maar zodra mensen elkaar werkelijk ontmoeten, verandert er iets. Dan krijgt “de ander” ineens een naam, een gezicht en een verhaal.
Verschillen verdwijnen daardoor niet, en dat hoeft ook helemaal niet. Maar ze worden wel menselijker.
Misschien hebben we in onze samenleving daarom niet minder verschillen nodig, maar juist meer echte ontmoeting.
Bij het lezen van het verhaal over dit meisje probeer ik mij ook voor te stellen hoe zo’n moment voor haar moet zijn geweest. Misschien was dit haar eerste sollicitatie. Misschien was ze zenuwachtig, maar ook trots dat ze deze stap zette. Misschien had ze thuis al verteld dat het gesprek goed was gegaan. En vervolgens ga je naar huis met het gevoel dat niet je enthousiasme of je mogelijkheden centraal stonden, maar iets wat voor jou onderdeel is van wie je bent.
Zoiets kan blijven hangen.
We zeggen tegen jongeren dat zij onderdeel zijn van deze samenleving. Maar dan is het niet genoeg om dat alleen te zeggen. Zij moeten dat ook kunnen ervaren. Ze moeten voelen dat er ruimte voor hen is en dat hun inzet wordt gezien. Dat zij mogen bijdragen zonder eerst een deel van zichzelf bij de deur achter te laten.
Dat betekent niet dat werkgevers geen regels mogen stellen. Natuurlijk zijn er regels nodig rond veiligheid, gedrag en professionaliteit. Maar we moeten wel steeds opnieuw durven kijken of regels mensen onnodig buitensluiten. “Zo doen we het nu eenmaal” mag nooit het einde van het gesprek zijn.
Het verhaal uit het AD zou daarom wat mij betreft niet alleen tot boosheid of verontwaardiging moeten leiden. Het zou ons vooral moeten uitnodigen om na te denken. Werkgevers, scholen, organisaties, overheden, maar ook wijzelf.
Hoe snel trekken wij conclusies over iemand op basis van wat we zien? Hoe vaak kijken we werkelijk verder? En zijn we bereid onze eigen vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen wanneer blijkt dat anderen daardoor buitengesloten worden?
Want uiteindelijk kwam dit meisje niet naar een supermarkt om een discussie over de islam te voeren. Zij kwam niemand overtuigen van haar geloof en zij vroeg geen bijzondere behandeling.
Zij wilde gewoon werken.
Daarom had het gesprek in de eerste plaats moeten gaan over haar motivatie, haar houding, haar mogelijkheden en haar talent.
Niet over haar hoofddoek.
Een samenleving waarin jongeren zich werkelijk thuis kunnen voelen, begint voor mij bij iets heel eenvoudigs: dat we hen niet eerst vragen een deel van zichzelf te verbergen voordat zij mogen meedoen.
